![]() Vorige |
![]() Volgende |
U kunt de volgende besturingselementen en hulpmiddelen op een werkbladpagina gebruiken:
<Besturingselementen voor verbergen/tonen>
Met deze besturingselementen kunt u gegevens verbergen of tonen in het huidige werkblad. Bijvoorbeeld: klik op de pijl naast het woord 'Kruistabel' om een kruistabel te tonen of te verbergen. Zie de pagina Werkbladweergave: (hulpmiddelen voor tabel/kruistabel) voor meer informatie.
<Parameterhulpmiddelen>
Als er parameters op het werkblad worden gebruikt, zijn de volgende besturingselementen beschikbaar:
Parameters
Klik op het pijlpictogram om de huidige parameters weer te geven of te verbergen.
<zaklamppictogram>
Gebruik het zaklamppictogram om:
de pagina Zoeken en selecteren weer te geven, waar u parameterwaarden kunt opzoeken en selecteren om toe te passen op het werkblad. Klik op Actie om de wijzigingen toe te passen.
de pagina Opgeven weer te geven (als er geen waardelijst is bij een parameter), waar u een zoekwaarde of een jokerteken (%) in de juiste positie kunt opgeven. Klik op Ga naar om de wijzigingen toe te passen.
Zie de pagina Parameters bewerken voor meer informatie over parameters.
Pagina-items
In Discoverer worden boven elke weergave van de werkbladgegevens selecties voor pagina-items weergegeven (bijvoorbeeld een kruistabel of grafiek). Met de selecties voor pagina-items kunt u items selecteren die u op het gehele werkblad kunt toepassen. (Bijvoorbeeld: als op de lijst met pagina-items afdelingen voorkomen, selecteert u een afdeling in die lijst om gegevens voor die afdeling weer te geven).
In de vervolgkeuzelijst kiest u een pagina-itemwaarde die u op een werkblad wilt toepassen.
Opmerking: om te voorkomen dat er onverwachte resultaten worden weergegeven in een Viewer-werkblad, moet u ervoor zorgen dat alle pagina-items op het werkblad een andere weergavenaam hebben.
Koppelingen Omhoog/Omlaag
Met deze koppelingen kunt u werkbladpagina's weergeven als Discoverer meer rijen als resultaat geeft dan op één pagina met gegevens kunnen worden weergegeven.
In deze vervolgkeuzelijst selecteert u een waarde waarmee wordt bepaald hoe opeenvolgende werkbladrijen worden weergegeven. Bijvoorbeeld: als u de waarde 3 rijen hebt geselecteerd, worden de drie volgende rijen gegevens weergegeven.
Koppelingen Links/Rechts
Met deze koppelingen kunt u werkbladpagina's weergeven als Discoverer meer kolommen als resultaat geeft dan op één pagina met gegevens kunnen worden weergegeven.
In deze vervolgkeuzelijst selecteert u een waarde waarmee wordt bepaald hoe opeenvolgende werkbladkolommen worden weergegeven. Bijvoorbeeld: als u de waarde 3 kolommen hebt geselecteerd, worden de drie volgende kolommen gegevens weergegeven.
<Drillpictogrammen>
In Discoverer Viewer kunt u een drillbewerking uitvoeren op items om aanvullende gegevens weer te geven.
Met de drillpictogrammen geeft u als volgt lagere of hogere detailniveaus weer wanneer relationele verbindingen en OLAP-verbindingen worden gebruikt:
Bij gebruik van een verbinding met een relationele gegevensbron opent u met een pijlpictogram voor drillen een pop-up drillmenu waarin u een van de volgende drillopties kunt kiezen:
Samenvouwen
Met deze optie kunt u omhoog drillen en de drillitems verbergen die op dit niveau van de drillhiërarchie worden weergegeven. Met 'Samenvouwen 'worden ook alle drillitems van lagere niveaus in de drillhiërarchie verborgen.
Alle hiërarchieën
Met dit pop-up menu opent u nog een pop-up menu met alle hiërarchieën die in het huidige werkgebied zijn aangemaakt (bijvoorbeeld een datumhiërarchie). U kunt een hiërarchie kiezen en vervolgens het hiërarchie-item kiezen dat u in het werkblad wilt weergeven.
Drillen naar gerelateerd
Met dit pop-up menu kunt u drillen naar gerelateerde items van mappen in het huidige zakelijke gebied die niet in het werkblad zijn opgenomen.
Wanneer u geen muis gebruikt, kunt u naar de drillpictogrammen navigeren met de Tab-toets. Wanneer u op Enter drukt, wordt de pagina Drillen weergegeven. Op deze pagina kunt u drillopties bekijken en een nieuwe drillbewerking toepassen.
Wanneer u een verbinding naar een OLAP-gegevensbron gebruikt, gebruikt u als volgt de drillpictogrammen om omhoog of omlaag te drillen in de drillhiërarchie om verschillende detailniveaus weer te geven:
Uitvouwen
Met deze optie kunt u omlaag drillen om gegevens op het volgende niveau in de drillhiërarchie weer te geven.
Samenvouwen
Met deze optie kunt u omhoog drillen en gegevens verbergen van het huidige niveau in de drillhiërarchie en van alle lagere niveaus in de drillhiërarchie.
Wanneer u geen muis gebruikt, kunt u naar de drillpictogrammen navigeren met de Tab-toets. Wanneer u op Enter drukt, wordt de drillbewerking, afhankelijk van de volgende voorwaarden, omhoog of omlaag uitgevoerd:
Als het momenteel gemarkeerde drillpictogram niet naar een lager detailniveau is uitgevouwen, wordt omlaag gedrild om gegevens op het volgende lagere niveau in de drillhiërarchie weer te geven.
Als het momenteel gemarkeerde drillpictogram naar een lager detailniveau is uitgevouwen, worden alle gegevens op dit niveau en alle lagere niveaus verborgen.
Naar buiten drillen om bestanden te bekijken die in andere applicaties zijn aangemaakt
Met het pictogram 'Drillen naar buiten' in een gegevenscel kunt u bestanden bekijken die in andere applicaties zijn aangemaakt. Bijvoorbeeld: als u op het symbool voor een MS Word-bestand klikt, wordt MS Word in de browser gestart en wordt het bestand weergegeven.